Nog meer wol

Ik had al zo’n 80 witte vachtjes (en één bruine) verzameld van onze eigen schapen. Toen kon ik nog de twaalf bruine vachten overnemen van de Leersumse kudde zwartblessen op Landgoed Zuylestein. Die hebben hele leuke blonde coupe-soleilplukjes aan hun bruine wol.

IMG-20140607-WA0000

En afgelopen maandag ging een groep Poolse schaapscheerders aan de slag bij Serge van der Zweep, bij de ijsbaan in het Renkums Beekdal. Hij heeft veel skuddes, die mooie kleuren hebben: licht- en donkerbruin, champagne, blond, wit, en heel geschikt zijn om te vilten. De witte vachten heb ik daar gelaten, die heb ik zelf genoeg. Wel zijn de schapen (en dus de vachten) veel kleiner dan die van onze Veluwse Heideschapen.

Ook heeft hij een paar Racka’s, schitterende schapen met gedraaide hoorns en een mooie lange krullerige vacht, van wit tot vrijwel zwart. Die hoorns zijn handig, om ze vast te pakken. Al prikken ze tijdens het scheren ook wel eens in de benen van scheerders. De plaatjes zijn van internet, want ik was te druk bezig om foto’s te nemen, en tegen de tijd dat ik er tijd voor had, waren ze allemaal geschoren. De vachten die ik heb waren van wat jongere schapen overigens, met nog niet zulke lange horens.

Ik heb ook nog twee Herdwick-vachten meegenomen. Dat zijn ‘blauwe’ schapen (een veetelersterm voor grijs). Die bleken van binnen heel harig te zijn, ik weet niet of dat wat wordt. Mijn wolbijbeltje ‘Wol in Nederland‘, dat van alle schapenrassen aangeeft hoe de vilt- en spineigenschappen zijn, is er overigens enthousiast over, qua vilten. Dus ik ben benieuwd.

Serge heeft ook nog Soays, maar die zijn nog zo oer, dat ze vanzelf hun vacht laten vallen tegen de zomer, zoals wilde schapen dat vroeger ook deden. Dus die hoeven niet geschoren te worden. Wel hele mooie dieren, bijna reeën om te zien.

Ooit zijn schapen dus geselecteerd op dat ze hun vacht behielden, om hun wol te kunnen oogsten, zodat dat ruien eruitgefokt is. Wat er gebeurt als je niet scheert, was te zien aan ‘Shrek‘, een Nieuw-Zeelands merinoschaap (een hamel, ofwel gecasteerde ram) dat ooit zes jaar aan de scheerders wist te ontkomen. Een echte belhamel dus!